Spring naar inhoud

Toetsing meerjarenbegroting op financieel sturingskader

In de meerjarenbegroting zijn de ontwikkelingen, plannen en ambities vertaald naar concrete geldmiddelen. Om de financiële continuïteit voor de langere termijn te borgen en uitvoering te geven aan een financieel gezond businessmodel heeft Accolade een intern financieel sturingskader opgesteld. Naast de financiële ratio's waarop door de toezichthouders Aw en WSW wordt getoetst heeft Accolade zowel harde normen als signaalwaarden toegevoegd aan het totaal pallet van financiële kaders.  

In paragraaf 11.1 wordt de uitwerking van de meerjarenbegroting op het financieel sturingskader toegelicht. In paragraaf 11.2 tot en met 11.5 wordt ingegaan op de belangrijkste strategische risico’s en de financiële impact van risico’s en gevoeligheden en de mate van wendbaarheid en het handelingsperspectief op lange termijn.  

​11.1 Financiële toetsing meerjarenbegroting

In de onderstaande tabel zijn de financiële kengetallen weergegeven voor de realisatie 2024, begroting en prognose 2025 en begroting 2026.   

  Norm Aw/WSW Norm Accolade Realisatie 2024 Begroot 2025 Prognose 2025 Begroot 2026
LTV < 70 < 70  40   33   33   30 
ICR > 1,4 > 1,54  2,7   2,4   2,5   2,5 
Solvabiliteit (o.b.v. beleidswaarde) > 30 > 30  65   61   61   65 
Dekkingsratio < 70 < 70  23   26   23   23 

De bovenstaande kengetallen voor 2026 voldoen aan de minimale eisen van de Aw/ WSW. 

In het vervolg van deze paragraaf gaan wij in op de ontwikkeling van de financiële ratio's op de lange termijn. Daarbij wordt per ratio aangegeven welke rol die heeft binnen het financieel sturingskader en wordt de ontwikkeling van de ratio vergeleken met de vorige begroting.  

Interest Coverage Ratio (ICR) of rentedekkingsgraad (externe ratio) 
De interest coverage ratio (ICR) of rentedekkingsgraad geeft aan in welke mate de te betalen rente kan worden voldaan uit de operationele kasstroom (exclusief rente). Het WSW stelt als minimale norm 1,4. Accolade hanteert een minimale norm van 1,54. De 10 procent hogere ondergrens is bedoeld om een buffer te hebben bij onverwachte tegenvallers voordat de ondergrens wordt bereikt of doorbroken. 

Bovenstaande grafiek onderstreept het belang van de interne normen die gehanteerd worden. De vlakke ICR in de eerste vijf prognosejaren volgt uit de vereiste dat het operationeel kasstroomresultaat in deze jaren minimaal € 20 miljoen bedraagt. Vanaf 2031 neemt de druk op de operationele kasstroom toe door een toename van de financieringslasten.  De daling wordt voornamelijk veroorzaakt door de grote opgave sloop- en vervangende nieuwbouw. Het verschil tussen de extra huurinkomsten van de nieuwe woning ten opzichte van de gesloopte woning is van onvoldoende grootte om de extra rentelasten op te kunnen vangen. De effecten op de ICR vanwege de uitbreidingsnieuwbouw is verwaarloosbaar doordat de extra rentelasten om deze uitbreiding te financieren worden weggestreept tegenover de extra huurinkomsten.  

Loan to Value beleidswaarde (LTV) (externe ratio) 
De LTV geeft de verhouding weer tussen de omvang van de lening portefeuille en de beleidswaarde.  Met ingang van boekjaar 2026 wordt het woningbezit gewaardeerd op beleidswaarde in plaats van marktwaarde verhuurde staat. Daarbij wordt een uniforme disconteringsvoet gehanteerd, die lager ligt dan de huidige disconteringsvoet van Accolade.  

Het WSW stelt als norm dat de omvang van de lening portefeuille niet meer dan 70 procent mag bedragen van de beleidswaarde.  

Zoals uit bovenstaande grafiek blijkt, voldoet de begroting aan de externe norm.  Uit de onderstaande grafiek blijkt dat de nominale schuld toe neemt van € 480 miljoen tot € 1.200 miljoen in 2040. Over een looptijd van 15 jaar komt dit neer op een toename van bijna 250 procent. Hoewel de LTV de gehele begrotingshorizon binnen de norm van 70 procent blijft, zorgen de hogere rentelasten als gevolg van de stijging van de nominale schuldpositie voor een drukkend effect op de ICR.  

Solvabiliteit (externe ratio) 
Hieronder wordt het vermogen van een organisatie verstaan om op lange termijn aan haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. Dit is de verhouding tussen het eigen vermogen en het totaal vermogen (gebaseerd op beleidswaarde). De solvabiliteit dient minimaal 30 procent te bedragen. Accolade voldoet ruimschoots aan deze minimale eis. In de financiële sturing is de solvabiliteit geen item waarop actief wordt gestuurd.   

Dekkingsratio (externe ratio) 
De dekkingsratio geeft de verhouding weer tussen de omvang van de lening portefeuille en de marktwaarde van het aan het WSW in onderpand gegeven bezit. Door het WSW is als norm gesteld dat deze niet meer dan 70 procent mag zijn. De geprognosticeerde uitkomsten laten zien dat deze ratio geen verdere aandacht verlangd.  

Minimale operationele kasstroom (interne norm) 
De vrije kasstroom is het saldo van de huuropbrengsten minus de exploitatielasten en belastingen. Accolade streeft naar een jaarlijkse minimale operationele kasstroom van € 20 miljoen. 

Om te voldoen aan de basisprincipes voor de totstandkoming van de meerjarenbegroting zal de operationele vrije kasstroom van voldoende omvang moeten zijn om hier de instandhoudingsuitgaven zonder huurverhoging uit te bekostigen. Dit zijn naast onderhoudsuitgaven bijvoorbeeld ook uitgaven aan douche, toilet en keukenrenovaties. 

Onderstaande tabel laat zien dat deze begroting aan dit principe voldoet.  

Bedragen (* € 1 mln.) 2026 2027 2028 2029 2030
Operationele kasstroom  20   20   21   21   22 
Woningverbeteringen  -6   -5   -5   -5   -5 
Verduurzaming (excl. PV-panelen en rendabele deel)  -12   -14   -15   -15   -16 
Saldo (moet positief zijn)  2   1   1   1   1 

Om hier verder invulling aan te geven wordt een maximaal jaarlijks budget gehanteerd voor instandhoudingsuitgaven bestaand bezit. Deze uitgaven bestaan uit het (planmatig) onderhouden, verduurzamen en renoveren van het bestaande bezit om de kwaliteit en woonkwaliteit op peil te houden c.q. te verhogen. Investeringen in pv-panelen komen niet ten laste van dit budget omdat deze investeringen door hogere vergoedingen op termijn worden terugverdiend. Datzelfde geldt ook voor het 20 procentdeel van de investeringen voor het naar de standaard brengen van de woningen en het aanbrengen van hybride installaties die op termijn gedeeltelijk worden terugverdiend als gevolg van een stijgende streefhuur na de investering.  

Het budget voor onrendabele uitgaven wordt jaarlijks geïndexeerd conform de huursomstijging uit de Leidraad Economische parameters. Zoals uit onderstaande grafiek valt te concluderen vallen deze uitgaven voor de gehele begrotingshorizon binnen het gemaximaliseerde budget.

Ondanks dat aan de budgettaire normering wordt voldaan is uit onderstaande grafiek goed waar te nemen dat de operationele kasstroom vanaf 2031 steeds meer onder druk komt te staan.   

Het sturen en/of beïnvloeden van de operationele kasstroom is van essentieel belang voor het in standhouden van het huidige businessmodel. De operationele kasstroom daalt vanaf 2033 onder de interne norm van € 20 miljoen vanwege de sterke toename van de financieringslasten.  

In de laatste 2 prognosejaren zien wij een duidelijke (kortstondige) verbetering in de operationele kasstroom. Vanaf 2032 zijn alle woningen naar label B gebracht, waardoor in de jaren daarna het onderhoudscomponent daarvan wegvalt. 

Rentelasten ten opzichte van de brutohuuropbrengsten(interne norm) 
De rentes zijn voortdurend aan verandering onderhevig en daardoor moeilijk te voorspellen. Veranderingen die met name door macro-economische, politieke en geopolitieke omstandigheden worden veroorzaakt. De grafiek van de ontwikkeling van de operationele kasstroom laat duidelijk de gevoeligheid voor verdere rentestijgingen zien. De rentelasten stijgen richting 2040 naar € 44 miljoen. Ofwel nagenoeg een verdrievoudiging in 15 jaar tijd. 

Voor de begroting van 2026 zien wij geen aanleiding om af te wijken van de voorgeschreven rentereeks uit de Leidraad Economische Parameters van augustus 2025. Deze ingerekende rente ziet er als volgt uit: 

2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031-2035 2036-2040
3,55% 3,64% 3,70% 3,76% 3,81% 3,83% 3,91% 3,85%

In onderstaande grafiek wordt de ontwikkeling van de renteparameter van de begroting 2026 afgezet ten opzichte van de ingerekende renteparameter van de begroting 2025 (stippellijn).

Om een gezonde verhouding tussen de exploitatielasten en de huuropbrengsten te houden heeft Accolade de verhouding van de rentelasten ten opzichte van de bruto huuropbrengsten gemaximeerd op 20 procent. Ultimo 2024 is deze ratio uitgekomen op 11,9 procent. Wij constateren in de eerste prognosejaren een vlak patroon welk vanaf 2030 wordt doorbroken vanwege de toename van de rentelasten als gevolg van de ingerekende ambitie. Vanaf dit jaar omvatten de rentelasten een steeds groter deel van de totale exploitatielasten.

Uit bovenstaande grafiek is te concluderen dat in 2037 de eigen norm wordt overschreden.  

Nominale schuldenplafond (interne norm) 
Om een gezonde financiële huishouding voor de (middel)lange termijn te waarborgen acht Accolade het verstandig om een maximum nominaal schuldenplafond van € 700 miljoen aan te houden. De hoogte van dit schuldenplafond vindt zijn oorsprong door de officieuze norm voor de Terugverdientijd Leningen van 35 jaar te vermenigvuldigen met de minimale jaarlijkse operationele kasstroom van € 20 miljoen. Dit betekent een maximale financieringsruimte van zo'n € 220 miljoen. Uit onderstaande grafiek blijkt dat per 2032 deze eigen norm wordt overschreden. 

Beïnvloedbare bedrijfslasten ten opzichte van bruto huuropbrengsten (interne norm) 
De laatste jaren zien wij dat de bedrijfslasten, voornamelijk vanwege inflatoire druk, sneller stijgen dan de huuropbrengsten. De doelstelling is dat de beïnvloedbare bedrijfslasten maximaal 17,5 procent van de bruto- huuropbrengsten per jaar bedragen. Hier wordt actief op gestuurd en zorgt ervoor dat de ingediende afdelingsbudgetten kritisch worden beoordeeld op zowel realiseerbaarheid als doelmatigheid van de plannen en inzet van middelen. Ultimo 2024 is deze ratio uitgekomen op 17,8 procent en de prognose over 2025 is 17,2 procent.  

Uit bovenstaande grafiek blijkt dat deze eigen norm niet wordt overschreden. De daling van deze ratio in latere jaren wordt verklaard vanwege een toename van de huuropbrengsten als gevolg van de ingerekende nieuwbouwwoningen. De bedrijfslasten zijn hierop niet aangepast.  

Terugverdientijd Leningen(interne signaalwaarde) 
Deze ratio geeft de verhouding weer van de operationele kasstroom ten opzichte van de nominale schuld. Het geeft weer hoeveel jaar het duurt om met de operationele kasstroom de lening portefeuille terug te betalen. In het gezamenlijk beoordelingskader van de Aw en WSW is de (officieuze) norm vastgesteld op 35 jaar. Ook Accolade hanteert de 35 jaar als signaalwaarde, omdat voor een acceptabele verhouding tussen schuld en operationele kasstroom ook de kwaliteit en ouderdom van het bezit een belangrijke factor is om rekening mee te houden. Anders geformuleerd: een overschrijding van de signaalwaarde kan acceptabel zijn omdat deze gepaard gaat met het verjongen en dus verlengen van de economische levensduur van het woningbezit.  

Vanaf 2033 wordt deze signaalwaarde overschreden vanwege o.a. de opgave in- en uitbreidingsnieuwbouw en de sloop- en vervangende nieuwbouw. Vanaf dat moment is de operationele kasstroom van onvoldoende omvang om de lening portefeuille binnen 35 jaar af te lossen. Uiteindelijk loopt dit op tot 65 jaar in 2040.   

Nominale schuld per DAEB- woning(interne signaalwaarde) 
Afhankelijk van de omvang van de operationele kasstroom zullen investeringen in nieuwbouw, sloop-/ nieuwbouw en levensduur verlengende renovaties leiden tot een toename van de schuldpositie. Afhankelijk van de toename in het bezit zal dit in meer of mindere mate leiden tot een toename in de schuld per DAEB- woning. Accolade hanteert een signaalwaarde voor de nominale schuld van € 40.000 per DAEB- woning.  

Een stijging van de nominale schuld per DAEB-woning is in bovenstaande grafiek duidelijk zichtbaar vanaf het begrotingsjaar 2029. Vanaf 2030 zijn de ambitieplannen ingerekend, waardoor deze signaalwaarde vanaf 2031 wordt overschreden. Het overschrijden van deze signaalwaarde gaat gepaard met de verjongingsopgave van het bestaande bezit en daarmee ook het verlengen van de economische levens- en exploitatieduur. 

Maximum jaarlijkse toename lening portefeuille (interne signaalwaarde) 
Het aantrekken van nieuwe financiering en herfinancieringen leidt daarnaast ook tot een verhoogd renterisicoprofiel. Het huidige gemiddelde renterisico, inclusief de roll-over lening, is 12 procent per jaar voor de komende 10 jaar. Exclusief de roll-over lening is het renterisico de komende 10 jaar zo’n 6 procent. Het WSW hanteert een maximale norm voor het renterisicoprofíel van 15 procent. Dit betekent een maximale toename van de lening portefeuille van € 35 miljoen per jaar. Deze wordt dan ook gehanteerd als interne signaalwaarde.  

De onderstaande tabel vat de ontwikkeling van bovenvermelde ratio’s in de eerste 5 begrotingsjaren nog eens samen. 

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt voldoet de meerjarenbegroting aan de externe normen en aan alle interne harde normen voor de eerste 5 prognosejaren. Alleen de interne signaalwaarde van de jaarlijkse toename van de lening portefeuille geeft in het laatste prognosejaar een waarschuwing af. 

De onderstaande tabel vat de ontwikkeling van de ratio’s weer van het 6e prognosejaar tot en met het 15e prognosejaar. 

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt voldoet de meerjarenbegroting voor de komende 10 jaar aan de externe normen. 

11.2 Risico beheersingsraamwerk

Accolade heeft als organisatie diverse korte- en lange termijn doelstellingen en is daarbij gebonden aan verschillende wetten en regelgevingen. Er kunnen zich allerlei gebeurtenissen voordoen die effect kunnen hebben op het behalen van de doelstellingen of aan het voldoen aan wet- en regelgeving. Binnen Accolade wordt een risico omschreven als “de kans op een gebeurtenis met een effect op het behalen van onze doelstellingen”. Om inzicht te krijgen in deze risico’s en ervoor te zorgen dat we hier zoveel mogelijk grip op kunnen houden is een risico beheersingsraamwerk opgesteld. Dit risico beheersingsraamwerk vergroot de kans op het behalen van de organisatiedoelstellingen. Accolade wil deze risico’s zodanig beheersen dat deze binnen de vastgestelde risicobereidheid vallen en onderkent de volgende belangrijke strategische risico’s:

Funderingsproblematiek  
Funderingen zijn niet gemaakt voor het fluctuerende waterpeil, wat leidt tot veiligheidsissues en mogelijk kostenherstel. Daarnaast zorgen alle (energetische) verbeteringen voor extra gewicht op de fundering, waar deze niet altijd op zijn berekend. In de komende jaren wordt verder onderzocht wat de funderingsproblematiek voor Accolade gaat betekenen. Hierna zal duidelijk worden hoe groot dit risico voor Accolade is en welke impact dit heeft.

Vanwege de bodemdaling die in grote delen van Nederland optreedt, ontstaat het risico op verzakkingen van woningen. Ook de huurwoningen van Accolade kunnen te maken krijgen met funderingsproblemen. Omdat de financiële impact hiervan op dit moment moeilijk is in te schatten is in deze meerjarenbegroting geen voorziening opgenomen. 

Politieke onvoorspelbaarheid 
Een risico wat zich de laatste jaren meerdere keren heeft voorgedaan is de onvoorspelbaarheid van de politiek. Zo heeft de corporatiesector twee keer een huurverlaging door moeten voeren en heeft er huurbevriezing plaatsgevonden. Ook de NPA is een voorbeeld van de politieke onvoorspelbaarheid. 

Projectsteun 
Een actueel risico is het risico op Projectsteun. Met de grote opgaven die de corporatie sector heeft te volbrengen, ontstaat het risico dat andere corporaties onvoldoende financiële middelen hebben op korte- of lange termijn, waardoor Accolade financiële gevolgen ondervindt door te moeten bijdragen in de vorm van Projectsteun.  

Het niet kunnen realiseren van de portefeuille strategie 
Er wordt steeds meer van woningcorporaties gevraagd. De woningen moeten worden verduurzaamd, de huuropbrengsten stijgen niet mee met inflatie en ook de maatschappelijke opgaven worden groter. Daarnaast is een belangrijk doel het verzorgen van voldoende woningen, hoeveel dit zijn is opgenomen in de portefeuillestrategie. 

11.3 Wendbaarheidsanalyse

De dynamiek van (economische) ontwikkelingen binnen de corporatiewereld neemt sterk toe. De grote maatschappelijke opgaven brengen mogelijk een hogere risicobereidheid met zich mee. Een gevolg hiervan kan zijn dat de kasstromen mogelijk meer onder druk komen te staan.

De politieke onvoorspelbaarheid is groot met de aangekondigde en weer ingetrokken dubbele huurbevriezing voor 2025 en 2026 nog vers in het geheugen. Door politieke besluitvorming in het recente verleden zien wij ons geconfronteerd worden met een situatie waarin de huurstijgingen fors achterblijven ten opzichte van de stijging van onze bedrijfslasten als gevolg van inflatie.

In onderstaande grafiek wordt het cumulatieve verschil tussen de procentuele huurstijging en inflatie vanaf 2016 weergegeven. Hierbij springt het ontstane verschil vanaf 2021 tussen beide parameters in het oog.

Daarnaast zien we in het kader van het financieel sturen nog een risico op ons afkomen. Dit betreft de projectsteun. Er ligt inmiddels een concept wetsvoorstel, waarin onder andere is opgenomen dat de projectsteun kan oplopen tot 2 procent van de huurinkomsten. Het is nog niet exact duidelijk op welke wijze de uitwerking gaat plaatsvinden, dit mede in relatie tot de oproep tot solidariteit. Voor beide stress-scenario’s is in deze paragraaf een wendbaarheidsanalyse uitgevoerd: 

  • GA1 Met ingang van 2026 worden wij geconfronteerd met een huurbevriezing van twee opeenvolgende jaren.  
  • GA2 Met ingang van 2026 wordt wij verplicht om 2 procent van de jaarhuur in te rekenen als projectsteun.  

Per stress-scenario wordt aangegeven wat de uitwerking daarvan is op de ICR en LTV en of en in welke mate het bijsturen van de plannen noodzakelijk is.  

Uit bovenstaande grafiek blijkt dat beide stress-scenario’s geen knelpunten behelst als er wordt gekeken naar de LTV. Bijstellen van de plannen is dus in beide gevallen wat betreft de LTV dus niet noodzakelijk.  

Uit voorgaande grafiek blijkt dat beide stress-scenario’s in de eerste vijf prognosejaren niet de externe grenswaarde bereikt. Hoewel de impact van het stress-scenario wanneer de huurstijging voor 2 opeenvolgende jaren in de eerste vijf jaren het grootst is, is bijstellen van de plannen op korte termijn niet direct noodzakelijk. Op de langere termijn is het effect van beide stress-scenario’s op de ICR nagenoeg gelijk aan elkaar. Vanaf 2034/2035 wordt de externe norm overschreden, waardoor het ingrijpen in de planvorming op langere termijn noodzakelijk is.  
 
De mate van wendbaarheid 

Het stress-scenario waarbij de huurstijging per direct voor 2 opeenvolgende jaren wordt bevroren heeft direct een grote impact op de operationele kasstroom. Ingrijpen op de exploitatielasten is noodzakelijk om ook op langere termijn aan de externe norm van de ICR te blijven voldoen. Indien het scenario zich voordoet kiest Accolade ervoor om het vervangen van keukens niet meer planmatig uit te voeren. Deze maatregel zorgt ervoor dat er € 90 miljoen minder aan planmatig onderhoud is ingerekend. Daar tegenover staat € 18 miljoen extra klachtenonderhoud. Uit onderstaande grafiek blijkt dat deze maatregel (groene vetgedrukte stippellijn) voldoende is om de ICR op het gewenste niveau te houden.   

11.4 Risico's en gevoeligheden

In voorgaande hoofdstukken benoemden we de ontwikkelingen waarmee we de komende jaren te maken krijgen of die nu al invloed hebben op onze keuzes. Naast de in paragraaf 11.3 uitgewerkte stress-scenario’s geven wij in deze paragraaf een korte schets van economische risico’s en gevoeligheden die de komende jaren kunnen gaan optreden.  Vooral de effecten op ICR, LTV,  de ontwikkeling van de lening portefeuille en de verhouding van de rentelasten ten opzichte van de huuropbrengsten zijn interessant.  

De doorgerekende gevoeligheidsanalyses zijn: 

  • S0 Scenario volgens de huidige begroting; 
  • GA1 Fiscale aftrekbaarheid verduurzamingsinvesteringen; 
  • GA2 Huurbevriezing van 2 opeenvolgende jaren met ingang van 2026; 
  • GA3 Renteparameter structureel 2 procent hoger dan begroting;  
  • GA4 Renteparameter structureel 1 procent lager dan begroting; 
  • GA5 Afschaffen ATAD; 
  • GA6 Projectsteun 2 procent van de jaarhuur met ingang van 2026. 

Interest Coverage Ratio (ICR) 
In onderstaande grafiek is duidelijk zichtbaar dat het scenario waarbij de renteparameter met ingang van 2026 structureel 2 procent hoger ligt dan de begroting de grootste impact heeft op de ICR. Met ingang van 2033 zakt de ICR door de externe grenswaarde. Het scenario waarbij de renteparameter structureel 1 procent lager ligt heeft dan weer het meest gunstige effect op de ICR. Dit laat direct ook de mate van gevoeligheid zien door rentefluctuaties. Hiernaast zijn er nog 2 scenario’s die boven de externe grenswaarde blijven.  Dit is het geval waarbij de verduurzamingsuitgaven ten laste worden gebracht op de Vennootschapsbelasting en het scenario waarbij de ATAD wordt afgeschaft.   

Loan To Value (LTV) 
Het meest positieve effect op de LTV wordt bereikt als de verduurzamingsuitgaven ten laste worden gebracht op de Vennootschapsbelasting. Het minst gunstigste effect wordt veroorzaakt wanneer de renteparameter structureel 2 procent hoger ligt dan de begroting. Het verschil met het scenario waarbij de huurstijging voor twee opeenvolgende jaren wordt bevroren is weliswaar klein. In de eerste 15 jaren overschrijden alle uitgewerkte scenario’s niet de externe grenswaarde.  

Nominale schuldpositie 
Net als bij de LTV stijgt de nominale schuldpositie het snelst in het scenario de renteparameter structureel 2 procent hoger ligt. Het meest gunstigste effect is waarneembaar als de verduurzamingsuitgaven ten laste van de vennootschapsbelasting worden gebracht.  

Rentelasten ten opzichte van de huuropbrengsten 
Bij de rentelasten ten opzichte van de huuropbrengsten is een sterk verband te zien met de ICR. Het inrekenen van een structureel hogere renteparameter van 2 procent ten opzichte van de begroting laat de grootste impact zien. Tegelijkertijd heeft het scenario waarbij de renteparameter 1 procent lager is dan de begroting het gunstigste effect op deze ratio. Tevens is dat het enige scenario die voor de gehele looptijd binnen de interne norm van 20 procent blijft.   

Handelingsperspectief (lange termijn) 
In paragraaf 11.3 is toegelicht welke maatregen Accolade treft als door externe omstandigheden de grenswaarden voor de ICR en LTV worden overschreden. In zijn algemeenheid zien wij overigens de effecten van de hogere lening-portefeuille in relatie tot de operationele kasstroom een probleem gaat veroorzaken. De extra rentelasten zorgen voor een extra druk op de operationele kasstroom. Dit heeft als gevolg dat Accolade al eerder een rem moet zetten op de toename van de lening-portefeuille.  

Hierbij kan worden gedacht aan het temporiseren van onderhoud-, investerings- en verduurzamingsprojecten, maar ook aan kwalitatieve inkrimping (bijvoorbeeld het accepteren van een lagere conditiescore van onze woningen) of kwantitatieve inkrimping (bijvoorbeeld het verlagen van aantallen sloop-/ nieuwbouw en in- en uitbreidingsnieuwbouw of meer verkopen). De verplichtingen die Accolade is aangegaan voor de eerste vijf jaar van de begroting, kunnen in alle gevallen (alle doorgerekende scenario's) worden nagekomen. Hiermee denkt Accolade voldoende handelingsperspectief te hebben in haar beleidskeuzes om onvoorziene omstandigheden op te vangen.   

11.5 Macro economische gevoeligheidsanalyse

In de vorige paragraaf zijn de gevolgen van een aantal scenario’s op de ratio’s weergegeven. Deze scenario’s hebben allen in meer of mindere mate impact op de maatschappelijke prestaties van Accolade. Daarnaast brengt de verwachte ontwikkeling van de economische parameters onzekerheden met zich mee. Daarbij is ook de samenhang tussen de verschillende parameters een aandachtspunt. Om een antwoord te geven op de vraag “Hoe bestendig is onze begroting voor macro- economische veranderingen?” is een Monte Carlo simulatie uitgevoerd waarmee 2.000 consistente sets aan economische scenario’s zijn doorgerekend. Deze Monte Carlo simulatie is ontwikkeld door Ortec Finance. Deze is gebaseerd op patronen in historische data en houdt rekening met de correlatie tussen de verschillende parameters. 

Onderstaande grafiek geeft deze gevoeligheidsanalyse weer op de ICR. De horizontale rode lijn geeft de externe norm van 1,4 weer. De ICR blijft in de begroting (aangegeven met donkerrode lijn) de gehele periode van 15 jaar boven de externe norm. Met behulp van de verschillende kleurvlakken wordt duidelijk gemaakt in hoeveel procent van de 2.000 scenario’s de ICR een bepaald niveau bereikt. De meest lichte kleur oranje toont de ICR in de 5 procent meest extreme scenario’s. Het donkergekleurde vlak toont het gebied waarin met 50 procent zekerheid gesteld kan worden dat de ICR uit zal komen met het huidige ingerekende beleid. 

De grafiek toont aan dat in de eerste vijf prognosejaren een kans bestaat van minder dan 5 procent dat de ICR vanwege macro-economische redenen onder de externe norm komt. Dit is ruim binnen de 25 procent overschrijdingskans die door Ortec Finance wordt geadviseerd. Pas vanaf 2036 is de kans 25% procent dat de ICR beneden de norm van 1,4 komt. 

Onderstaande grafiek toont de gevoeligheidsanalyse op de LTV. De horizontale rode lijn geeft de externe norm weer en de donkerrode lijn de ontwikkeling van de begroting op de LTV. De grafiek laat zien dat de LTV in de eerste vijf prognosejaren bij alle scenario’s binnen de externe norm van 70 procent blijft. Pas na 2032 zorgt 5 procent van de scenario’s ervoor dat de norm wordt overschreden. In 2040 is de kans minder dan 25 procent dat de norm van de LTV wordt overschreden. Ortec Finance adviseert om een overschrijdingskans van 25 procent te hanteren.